Video insluiten

2483-00133 Jong in Groningen 1 1945-1975  1945-1975


Lengte: 01:39:08:00
Video insluiten

2483-00133 Jong in Groningen 1 1945-1975 
, 1945-1975


Lengte: 01:39:08:00

46 fragmenten uit 2483-00133

Fragment 13 van 46 - 2483-0013301:09:26:00 - 01:11:23:00

“En jij moet daar van die imperiaal af.” En toen sprak Henri de onvergetelijke woorden: Maar agent, voor mijn vriend Henk ben ik alleen bagage! En ik voelde dat ik nu langzaam we…

“En jij moet daar van die imperiaal af.” En toen sprak Henri de onvergetelijke woorden: Maar agent, voor mijn vriend Henk ben ik alleen bagage! En ik voelde dat ik nu langzaam weg moest rijden. En dat deed ik ook en we hebben er nooit meer wat van gehoord en Henri heeft nog heel vaak bij mij op de imperiaal gezeten omdat hij voor mij alleen bagage was, maar vooral omdat het zo’n heerlijke, zonnige zomer was. En zo hadden we allemaal dolle ervaringen met Henri. Af en toe moest ik bij de kruidenier een hele hoge rekening van metworsten betalen die Henri zich daar verschafte en dan gebeurden er soms de wonderlijkste dingen. Op een gegeven ogenblik kwam ik uit het Instituut voor Kunstgeschiedenis in Groningen, waar ik toen werkte, daar kwam ik terug en toen had Henri een meeuw in huis genomen. Want die meeuw was tegen de bedrading aangevlogen en die had een pootje en een vleugel gemold en die meeuw die was heel zielig naar de inzichten van Henri, en Henri die identificeerde zich toen enorm, dat heeft-ie zijn hele leven gedaan, met medici, met dokters, met mensen die opereren, dat vond-ie enorm belangrijk. En die meeuw die was hier in huis in de kliniek. Wereldvrede, noemde hij dat. En hij had zichzelf een atelier verschaft in wat mijn keuken bedoelde te zijn en hij was in zijn zilveren periode, dus hij had de hele keuken zilver geschilderd, behalve een wand hardrood, en daar werd de meeuw geposteerd. Maar de meeuw die was natuurlijk toch wel wat onrustig geworden door Henri en die hipte dan in zijn rode verfpot en ging zo helemaal door mijn appartement hier boven. Dus het zag er fantastisch uit, overal die rooie meeuwenpootjes. Het was een performance van een meeuw.”

Fragment 23 van 46 - 2483-0013301:16:59:00 - 01:18:57:00

Take 4. Henk CU. “En mijn vriend Henri, dat was nu een kunstenaar die heel erg grafisch was. Henri maakte een soort beeldschrift. En in zijn werk zit er altijd een soort kruisvo…

Take 4. Henk CU. “En mijn vriend Henri, dat was nu een kunstenaar die heel erg grafisch was. Henri maakte een soort beeldschrift. En in zijn werk zit er altijd een soort kruisvorm, of heel vaak. En dan zag je hem echt zo bijna friemelen. Hij was zo helemaal op die manier bezig. (Henk maakt gebaar van friemelen). En dan ging hij zo… en dan ontstond er zo een fantastisch ding. Maar wat ik bijzonder vond, dat was wel friemelen, maar tegelijkertijd had hij altijd gevoel voor een soort grote vorm. En toen hij hier werkte ontstonden, dat denk ik natuurlijk, de mooiste dingen die hij ooit gemaakt heeft, maar die zijn ook echt prachtig, ook zilverachtige kunstwerken, maar ook dingen waarop hij meteen op zijn omgeving reageert. Voorbeeld: ik werkte over heiligen in die tijd. En ik werkte over de Heilige Anthonius en ik zag plaatjes van de Verzoeking van de Heilige Anthonius, prachtige blote vrouwen en dan zo’n heremiet die probeert om zijn vleselijke lusten onder controle te houden. En Henri maakte daar een dol plaatje van van Anthonius met een rij kutten achter zijn rug. Dat was fantastisch! En zo had hij nog allerlei andere… Hij maakte hier ook een coca-cola-hoer, omdat hij de hele dag aan de cola was toen hij hier aan het werk was. Wat een uitzondering was, want meestal werd er toch een vorm van sterke drank genoten, maar hier was hij aan de cola, maar daar ontwikkelde zich een prachtige coca-cola-hoer uit, uit zijn werk. En ja, in alles ging dat zo. Ik was aan de gang met Hiëronymus, ook weer zo’n heilige en de meeuw die tegen de bedrading kwam vliegen en die hij in huis opnam, die heette ook meteen Hieronymeeuw. Zo ging het maar door. En het hele leven kreeg als het ware deel aan zijn kunst en de kunst kreeg een deel aan het leven.”

Fragment 31 van 46 - 2483-0013301:24:31:00 - 01:26:29:00

Take 7. “Ik ben hier in de Piloersemaborg omdat ik hier vroeger woonde in drieënzestig en omdat in dat jaar 1963 hier in de Piloersemaborg eigenlijk een van de spannendste proje…

Take 7. “Ik ben hier in de Piloersemaborg omdat ik hier vroeger woonde in drieënzestig en omdat in dat jaar 1963 hier in de Piloersemaborg eigenlijk een van de spannendste projecten is ontstaan die jonge kunstenaars, kunstenaars van mijn generatie, tot stand hebben gebracht in Groningen. En nou moet je je voorstellen: dat hele beeld, die gasbel, die was klaar en we hadden er allemaal even in mogen zitten, vooral Henri en ik, prachtige opnames waren gemaakt van Martin en Jo en Edu en Henri en het was een vriendengroep GR4K, onuitspreekbare naam, ik weet niet meer wat het betekende, en dat was allemaal gebeurd en toen moest dat hele ding gereden worden met een tractor van boer Jan Wieringa naar het Groninger museum. En dat was… kunt u zich voorstellen, dat moet je je even voorstellen, daar ging die tractor met dat ding, met die zilveren gasbel door het Groninger land. Het was een waanzinnige aanblik en met die vrolijke heren die van de zenuwen ook al het nodige ingenomen hadden. Een vrolijke, opgewonden tocht, een triomftocht, naar Groningen. Het leek mij een beetje op mijn vroege Italianen. In de veertiende eeuw heeft de bevolking van Sienna ’t grote hoofdaltaarstuk van Duccio op de schouders in processie naar het hoofdaltaar gebracht van de dom in Sienna. En zo brachten deze heren – het waren alleen heren tot mijn spijt – deze heren dit fantastische ding, deze zilveren gasbel door het Groninger land naar het Groninger Museum en daar zou de opening plaatsvinden van hun werk.”

Fragment 45 van 46 - 2483-0013301:34:26:00 - 01:37:08:00

Take 2 “We zijn hier in een tempelgebied van de Ploeg, de oude kunstenaarsvereniging in Groningen. En de omgeving is het Reitdiepdal. En daar in dat Reitdiepdal, hier, waar ik zi…

Take 2 “We zijn hier in een tempelgebied van de Ploeg, de oude kunstenaarsvereniging in Groningen. En de omgeving is het Reitdiepdal. En daar in dat Reitdiepdal, hier, waar ik zit in café Hamming, in dat Reitdiepdal, daar schilderden die Ploegers. En daar in dat Reitdiepdal hebben zij eigenlijk het noorden van Groningen blootgelegd voor esthetische ervaring, voor onze schoonheidsbeleving. En wie waren dat: Jan Altink, Jan Wiegers, Johan Dijkstra, Jan Jordens, Jannes de Vries en Job Hansen. Er is een onvergetelijk verhaal van Job Hansen dat hij hier van die triplexplankjes zit te beschilderen, op zijn knieën in dat wijdse land, en dan komt er een boer en die zegt: Wat schilderst doe jong? En dan zegt Hansen: Ik schilder roemte. Ik schilder de ruimte. En die ruimte, die agrarische gebruiksruimte, hebben zij opengelegd voor ons. En die energie, die picturale energie, van de jaren twintig, dat was geweldig. Maar toen ik naar school ging, naar het Praediniusgymnasium in het begin van de jaren vijftig, toen was dat allemaal een beetje voorbij. En die Ploeg van vroeger, die kunstenaarsvereniging, die Werkman had voortgebracht en zoveel andere groten, maar vooral bovenalWerkman, het was net alsof met de dood van Werkman in 1945 die vernieuwingsdrift, die artistieke drijfveren eigenlijk een beetje weg waren, verdwenen waren. Het was een veel braver, onschuldiger gezelschap geworden. Op zichzelf niks mis mee, maar met een sterk behoudend karakter. Dat was niet alleen in Groningen zo. Overal in Nederland was een, laten we nou maar zeggen behoudend kunstklimaat. Of althans bijna overal. En dat kon je ook merken aan die discussie die in Nederland woedde van antimodernisten. Prange, Hai-hai en Rabarber. Een woedende, woedende oprisping tegen de beginnende Cobra-groep. Razend waren ze. En er werd gescholden op het modernisme op een manier die wij ons niet meer kunnen voorstellen.”

Fragment 46 van 46 - 2483-0013301:37:08:00 - 01:39:05:00

Professor Dekking, de professor oogheelkunde, die een lezing hield voor de Ploeg, met zoveel venijn, met zoveel woede, dat kon je je niet voorstellen. Maar toch was het zo. En in d…

Professor Dekking, de professor oogheelkunde, die een lezing hield voor de Ploeg, met zoveel venijn, met zoveel woede, dat kon je je niet voorstellen. Maar toch was het zo. En in die wereld gingen de vrienden van mij naar de Academie Minerva. Martin Tissing, Jo van Dijk, Matthijs Röling, Henri de Wolf – die kwam een stuk later naar Groningen toe – ze hebben allemaal gemerkt dat er een restrictief kunstbeleid was. En dat kon je eigenlijk ook lezen in het Nieuwsblad van het Noorden. U moet zich voorstellen: Groningen was toch een plek alleen. Dat was toch een vrij geďsoleerde plek die het moest hebben van incidentele impulsen van buiten. En het was net of die verdwenen waren. En Johan Dijkstra, de kunstenaar, schreef kritieken in het Nieuwsblad van het Noorden. Als je die kritieken nu leest, dan is daar eigenlijk niet zoveel mis mee, maar ze hadden iets zelfgenoegzaams. Ze hadden iets van: waarom mot dat nou, al die vernieuwers, en ze lijken ook altijd weer op iemand anders die ergens anders, dat weet ik ook en dat hebben we allemaal al gehad… Kortom, het gaat over alles, maar zo gauw er iets nieuws aan de orde komt dan behandelt Dijkstra dat met een soort zelftevreden vermoeidheid. Van: oh, nou dat weer. En dat was ook dodend. De kunstenaars, die nog wat wilden, Wobbe Alkema, Job Hansen, die konden die man wel vreten. En zo ontstond daar toch een wereld waarin het moeilijk was om als vernieuwende kunstenaar door het leven te gaan.”